4 december, Debat over de rapporten ‘Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel’ van de Inspectie G&J en ‘Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt’ van de Inspectie J&V
[De kamer,
constaterende dat onafhankelijk direct toezicht op pleegouders, gezinsouders en zorgboerderijen nog steeds niet gewaarborgd is;
overwegende dat gezien de recente vreselijke misstanden die aan het licht
zijn gekomen dit onafhankelijke toezicht zo snel mogelijk moet worden
gerealiseerd – het is echt een wonder dat dat toezicht er nog niet is en er
zijn ook geen vergunningen;
verzoekt de regering de inspectie, de IGJ dus, zo snel mogelijk te belasten
met dit toezicht waarbij het streven van de inspectie zou moeten zijn
pleeggezinnen, gezinshuizen en zorgboerderijen minstens één keer per
jaar en bij voorkeur onverwacht te bezoeken.] ››
[De kamer,
verzoekt het kabinet er zorg voor te dragen dat pleegzorgbegeleiders
jaarlijks minstens één keer onaangekondigd bij pleegouders op bezoek
komen.] ››
[De kamer,
constaterende dat jeugdzorginstellingen sinds 2022 werken met het
zogenoemde handelingsperspectief vanwege aanhoudende onderbezetting;
constaterende dat hierdoor wettelijke termijnen en verplichtingen, zoals
toewijzing van een vaste jeugdbeschermer, structureel niet worden
gehaald;
constaterende dat toezichthouders hebben gewaarschuwd dat kinderen
hierdoor niet altijd op tijd de noodzakelijke bescherming ontvangen;
overwegende dat wettelijke normen in de jeugdbescherming bedoeld zijn
om de veiligheid van de kinderen te waarborgen;
overwegende dat deze normen niet vervangen mogen worden door een
handelingsperspectief als noodkader zonder parlementaire instemming;
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat jeugdzorginstellingen niet
langer de aan hen toevertrouwde kinderen op basis van het zogenaamde
handelingsperspectief (inadequate) zorg mogen verlenen.] ››
[De kamer,
verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze het wettelijk kader kan
worden aangescherpt op basis waarvan de rechter een jeugdbeschermingsmaatregel, waaronder in het bijzonder een gedwongen uithuisplaatsing, kan opleggen.] ››
[De kamer,
overwegende dat de motie-Ceder c.s. op stuk nr. 836 (31 839) vraagt om
het onderzoeken van het nut en de effectiviteit van de wettelijke borging
van het plan van aanpak van de GI binnen drie maanden na uithuisplaatsing, waarin de mogelijkheden en route naar terugplaatsing worden
vastgelegd;
overwegende dat de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming al in 2020 adviseerde om wettelijk vast te leggen dat binnen
drie maanden het perspectiefbesluit wordt voorgelegd aan de
kinderrechter;
verzoekt de regering in het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in
de jeugdbescherming op te nemen dat het perspectiefbesluit binnen drie
maanden wordt voorgelegd aan de kinderrechter;
verzoekt de regering voorts dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk naar de
Kamer te sturen.] ››
[De kamer,
overwegende dat er bij de allereerste screening naast een vog nog geen
check op sociaaleconomische omstandigheden, zoals de financiële
zelfredzaamheid, lijkt te zijn bij gezinshuisouders;
overwegende dat schulden bij potentiële gezinshuisouders kunnen leiden
tot stress en een instabiele gezinssituatie en dat dat kan doorwerken;
overwegende dat in de herziening van de kwaliteitscriteria ook wordt
bezien of screening van gezinshuisouders een plek moet krijgen;
verzoekt de regering om met gemeenten en de jeugdzorgsector in gesprek
te gaan om te zien of het mogelijk is om de financiële draagkracht van
potentiële gezinshuisouders mee te nemen in de afwegingen bij de inkoop
en uitvoering.] ››
[De kamer,
constaterende dat ervaringsdeskundigheid momenteel nog beperkt wordt
ingezet in de jeugdbescherming, zowel op beleidsniveau als in de praktijk,
vergeleken met de jeugdhulp;
overwegende dat de inzet van ervaringsdeskundigheid een toegevoegde
waarde kan hebben voor de hervorming van de jeugdbeschermingsketen;
verzoekt de regering om samen met ervaringsdeskundigen en gecertificeerde instellingen ervoor te zorgen dat ervaringsdeskundigheid vaker
kan worden ingezet bij de inzet van maatregelen in de jeugdbescherming.] ››
[De kamer,
constaterende dat het gebruik van budgetplafonds ervoor zorgt dat
jongeren soms niet de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben, ook als er
nog wel plek is bij een bepaalde aanbieder;
verzoekt de regering om het gebruik van budgetplafonds in de jeugdzorg
te verbieden.] ››
[De kamer,
constaterende dat de rapporten van de IGJ en de Inspectie JenV het
zoveelste signaal zijn van een enorme crisis in de jeugdzorg;
overwegende dat er tegelijkertijd enorme bezuinigingsplannen liggen
voor de jeugdzorg van 463 miljoen euro in 2026 en 570 miljoen euro in
2027, ondanks dat de commissie-Van Ark adviseerde voor deze jaren niet
van tevoren vast te leggen hoeveel er kan worden bespaard;
spreekt uit dat het oplossen van de crisis in de jeugdzorg een absolute
topprioriteit moet zijn en dat bezuinigingen dit niet mogen tegenwerken;
verzoekt de regering om alsnog te luisteren naar de commissie-Van Ark en
voor 2026 en 2027 niet van tevoren bezuinigingen op te leggen.] ››
[De kamer,
constaterende dat de inspecties vaststellen dat sommige gemeenten
verwijzingen van jeugdzorgwerkers naar passende zorg heroverwegen en
dat dit het de gecertificeerde instellingen onmogelijk maakt om hun taak
te doen;
overwegende dat dit ervoor zorgt dat jongeren nog moeilijker toegang
kunnen krijgen tot de zorg die zij nodig hebben;
verzoekt de regering om gemeenten erop aan te spreken dat zij verwijzingen van GI’s niet moeten heroverwegen en te onderzoeken welke
stappen verder kunnen worden genomen om dit tegen te gaan.] ››
[De kamer,
constaterende dat leerlingenvervoer voor kinderen die uit huis zijn
geplaatst soms niet wordt geregeld door de desbetreffende gemeente,
wat leidt tot extra trauma’s en schade;
constaterende dat alleen al het afgelopen schooljaar 38 keer een beroep is
gedaan op het Jeugdeducatiefonds om leerlingenvervoer na uithuisplaatsing te betalen, terwijl dit een taak is van gemeenten;
verzoekt de regering om te zorgen dat altijd het belang van het kind
vooropstaat en kinderrechten worden nageleefd en in dergelijke situaties
te zorgen dat gemeenten en desnoods het Rijk de kosten betalen van
leerlingenvervoer totdat er een permanente oplossing is.] ››
Verworpen op 9 december: 46 - 104
DENK
GL-PVDA
PvdD
BBB
Volt
50PLUS
CU
FVD
SP
CDA
D66
SGP
VVD
JA21
PVV
3 december, Voorstel van wet van de leden Paternotte en Bevers tot wijziging van de Embryowet in verband met de afschaffing van het tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek (36416) (antwoord eerste termijn + rest)
[De kamer,
van mening dat onderzoek met speciaal daarvoor gekweekte embryo’s
sowieso niet toegestaan mag worden als er alternatieve onderzoeksmethoden beschikbaar zijn;
van mening dat dit betekent dat zodra er alternatieve onderzoeksmethoden ontwikkeld zijn, het verbod op het gebruik van speciaal daarvoor
gekweekte embryo’s direct weer geëffectueerd moet worden;
overwegende dat de Embryowet hierin voorziet, aangezien artikel 11 van
de wet aangeeft dat wetenschappelijk onderzoek verrichten met embryo’s
die speciaal daarvoor tot stand zijn gebracht, verboden is en blijft als er
alternatieve onderzoeksmethoden beschikbaar zijn;
overwegende dat het Rathenau Instituut echter terecht waarschuwt dat
het opheffen van het verbod op het speciaal kweken van embryo’s kan
leiden tot een verminderde inzet op het vinden van alternatieven;
verzoekt de regering zorg te dragen dat onderzoek naar alternatieven van
onderzoek met speciaal daarvoor gekweekte embryo’s langjarig door zal
gaan, en de Kamer jaarlijks te informeren over de voortgang.] ››
[De kamer,
overwegende dat de leeftijd van ouders bij het krijgen van een eerste kind
de afgelopen decennia flink is gestegen;
overwegende dat wanneer de leeftijd van ouders, met name moeders,
toeneemt, er een verhoogd risico ontstaat op onvruchtbaarheid, complicaties bij de zwangerschap en aangeboren afwijkingen bij het kind;
overwegende dat verminderde vruchtbaarheid als gevolg van uitstel van
ouderschap bijdraagt aan de vraag naar vruchtbaarheidsbehandelingen
en aan situaties van ongewenste kinderloosheid;
verzoekt de regering de maatschappelijke dialoog over (on)vruchtbaarheid
te bevorderen, waarbij in ieder geval ook aandacht is voor biologische,
morele en ethische aspecten.] ››
[De kamer,
overwegende dat de Embryowet om de paar jaar geëvalueerd wordt;
overwegende dat als het voorliggende wetsvoorstel over embryokweek
wordt aangenomen dit een verruiming van de Embryowet betekent;
verzoekt de regering in de volgende evaluaties expliciet aandacht te
besteden aan de maatschappelijke opinie op dit thema;
verzoekt de regering voorts in de volgende evaluaties expliciet aandacht
te besteden aan de wijze waarop de uitvoering van de wet recht doet aan
de beschermwaardigheid van het embryo.] ››
[De kamer,
overwegende dat met het wetsvoorstel onderzoek naar de veiligheid van
kiembaanmodificatie mogelijk wordt gemaakt;
overwegende dat de kennis over veilige kiembaanmodificatie, ondanks
een verbod op kiembaanmodificatie in Nederland, door andere landen en
spelers ingezet kan worden voor kiembaanmodificatie;
verzoekt de regering te voorkomen dat Nederlandse kennis en technologie
over kiembaanmodificatie worden ingezet voor toepassingen in het
buitenland.] ››
Aangenomen op 16 december: 1130 - 1486
JA21
CDA
PVV
JA21
DENK
PVV
JA21
DENK
CDA
PVV
CDA
CDA
CDA
CU
SGP
PVV
CDA
PVV
PVV
FVD
PVV
BBB
50PLUS
50PLUS
CU
PVV
FVD
PVV
PVV
JA21
CDA
FVD
PVV
CDA
CDA
CDA
BBB
PVV
PVV
BBB
SGP
PVV
FVD
PVV
PVV
PVV
DENK
JA21
BBB
JA21
PVV
PVV
CDA
JA21
PVV
FVD
CDA
FVD
CDA
PVV
CDA
JA21
PVV
CDA
PVV
FVD
JA21
CDA
CDA
PVV
PVV
CU
GL-PVDA
D66
VVD
GL-PVDA
VVD
D66
VVD
GL-PVDA
D66
VVD
VVD
VVD
D66
VVD
D66
D66
VVD
SP
GL-PVDA
GL-PVDA
GL-PVDA
GL-PVDA
GL-PVDA
VVD
SP
VVD
GL-PVDA
D66
D66
GL-PVDA
PvdD
VVD
D66
GL-PVDA
GL-PVDA
D66
D66
GL-PVDA
VVD
GL-PVDA
VVD
D66
VVD
SP
D66
D66
PvdD
VVD
Volt
GL-PVDA
D66
VVD
D66
GL-PVDA
D66
D66
D66
GL-PVDA
D66
D66
VVD
D66
VVD
GL-PVDA
GL-PVDA
VVD
VVD
D66
D66
D66
3 december, Wijziging van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 en enige andere onderwijswetten in verband met de landelijke borging van de uitvoering van ondersteuning van scholen en instellingen bij het onderwijs aan zieke leerling
[De kamer,
constaterende dat de nieuwe landelijke structuur voor onderwijs aan zieke
leerlingen wordt ingericht terwijl ouders en leerlingen over het huidige
werk van consulenten overwegend tevreden zijn;
constaterende dat veel ozl-consulenten hun werk combineren met een
andere functie, zoals orthopedagoog of onderwijsadviseur;
overwegende dat de wet veel ruimte laat voor de precieze regionale
inrichting en er geen duidelijkheid is over de verdeling van middelen en
personeel tussen regio’s, wat bij consulenten leidt tot onzekerheid over
hun toekomstige werkplek en taken;
overwegende dat een aanzienlijk deel van de huidige consulenten
aangeeft mogelijk niet over te stappen naar de nieuwe stichting, met
risico op verlies van capaciteit en expertise;
verzoekt de regering stevige landelijke regie te waarborgen, via een
stichting met verantwoordelijkheid voor kwaliteit, bekendheid van de
voorziening en continuïteit van de ondersteuning, en de uitvoering
regionaal, dicht bij het kind, te behouden;
verzoekt de regering in kaart te brengen wat regionaal behouden moet
blijven, wat centraal kan worden belegd en hoe de middelen over regio’s
moeten worden verdeeld op basis van actuele gegevens, en de Kamer
voor de zomer over de uitkomsten te informeren;
verzoekt de regering in de transitie naar de nieuwe structuur de flexibiliteit
voor consulenten te behouden, bijvoorbeeld door combinatiebanen
mogelijk te houden en detachering van consulenten toe te staan,
kst-36530-29
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2025
Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 530, nr. 29
1.] ››
[De kamer,
constaterende dat de Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen geen
criteria voor deze ondersteuning opneemt, maar de Minister wel de
mogelijkheid geeft om de uitvoerende stichting kaders mee te geven;
overwegende dat zieke leerlingen gebaat zijn bij een zo snel mogelijke
realisatie van onderwijsondersteuning;
overwegende dat in het huidige stelsel de meeste zieke leerlingen tijdig
ondersteuning ontvangen en dat de regering benoemt dit te willen
behouden;
verzoekt de regering om de snelheid waarmee zieke leerlingen ondersteuning krijgen te borgen en hierover criteria mee te geven in de eerste
kaderbrief aan de op te richten uitvoerende stichting.] ››
[De kamer,
constaterende dat de Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen een
fundamentele wijziging van de uitvoeringsorganisatie daarvan
bewerkstelligt;
constaterende dat deze wet pas na enkele jaren geëvalueerd zal worden;
overwegende dat deze wet volgens de regering niet tot veranderingen in
de uitvoering van onderwijsondersteuning zal leiden;
overwegende dat het belangrijk is om eventuele veranderingen in de
uitvoering zo vroeg mogelijk vast te stellen;
verzoekt de regering om een jaar na de inwerkingtreding met een
monitoringsrapportage te komen en een tevredenheidsonderzoek uit te
voeren onder leerlingen, ouders en medewerkers.] ››
[De kamer,
constaterende dat na het aannemen van het wetsvoorstel Onderwijsondersteuning zieke leerlingen een groot deel van de onderwijsconsulenten
zijn werkzaamheden zal voortzetten bij de landelijke stichting;
constaterende dat een deel niet onder de overgang van onderneming valt
omdat zij ook andere taken verrichten bij hun huidige werkgever, vaak op
het domein van zorg en ondersteuning;
constaterende dat het zonde is dat deze ervaring, deze expertise en dit
netwerk verloren gaan;
verzoekt de regering om deze groep onderwijsconsulenten met dubbelfuncties de mogelijkheid te bieden om toch over te gaan naar de landelijke
stichting, door bijvoorbeeld te kijken naar detachering of het verlagen van
de minimale taakomvang, of door afspraken op individueel niveau te
maken.] ››
[De kamer,
constaterende dat uit onderzoek van Oudervereniging Balans blijkt dat
70.000 kinderen thuiszitten zonder passend onderwijs, en samenwerkingsverbanden tientallen miljoenen financiële reserves hebben die zijn
bedoeld voor onderwijs en ondersteuning aan deze kinderen, maar niet
worden uitgegeven;
constaterende dat de onderwijsinspectie een dringende oproep doet aan
het kabinet om onderwijs in justitiële jeugdinstellingen te verbeteren;
constaterende dat het onderwijs aan kinderen in de jeugdzorg al jaren niet
op orde is;
constaterende dat onderwijsconsulenten enorm waardevol werk doen
waardoor onderwijs aan kinderen met een lichamelijke ziekte goed
geregeld is en het wetsvoorstel daar nog een verbeterslag op maakt;
constaterende dat het recht op onderwijs voor álle kinderen zou moeten
gelden;
verzoekt de regering om te onderzoeken of de werkwijze van de nieuwe
stichting ook een oplossing kan zijn voor kinderen en jongeren die
langdurig thuiszitten of geen passend onderwijs krijgen vanwege
bijvoorbeeld autisme of hoogbegaafdheid, kinderen en jongeren in de
jeugdzorg of justitiële instellingen, en de onderzoekers ook te vragen
concrete beleidsopties uit te werken.] ››